Artikelen

‘Juliana for president’

Geschreven door Ronald Jan

Zestig jaar geleden, in 1952, hield Koningin Juliana een bijzondere rede tot het Congres van de Verenigde Staten. Nog steeds actueel.

Zestig jaar geleden, in 1952, hield Koningin Juliana een prachtige rede tot het Congres van de Verenigde Staten. De politiek in Nederland daarentegen was er echter helemaal niet zo blij mee. Koningin Juliana had geweigerd de speech voor te lezen die de regering geschreven had. Zij dreigde haar bezoek aan de VS af te zeggen, als zij niet haar eigen verhaal mocht vertellen. Gelukkig is het zover niet gekomen, want het is een speech die  – nagenoeg – vandaag de dag weer verteld zou kunnen worden.

De regering echter vond haar speech destijds veel te zweverig en te pacifistisch. De Koude Oorlog was in volle omvang aanwezig en de VS was in oorlog in Korea, overigens samen met Nederlandse soldaten. Laatst kwam deze speech weer ter sprake en ook nu weer spreken commentatoren over het ‘zweverige gehalte’ van de speech. Juliana zou teveel zijn beïnvloed door Greet Hofmans.

Natuurlijk zal Juliana beïnvloed zijn, maar dan wel – gezien de inhoud –  op een zeer positieve manier. De Koningin werd destijds acht keer onderbroken door applaus. En als het niet door de inhoud was, dan was het in ieder geval doordat zij het met zoveel passie wist te zeggen. Want blijkbaar was dít hetgeen zij werkelijk belangrijk vond!

Haar rede leest als een belangrijke speech van een visionaire en inspirerende staatsvrouw. Je moet er toch niet aan denken dat er een vlakke regeringstekst was gekomen? Oordeelt u zelf. 

Passages uit de rede van Koningin Juliana tot het Congres der Verenigde Staten – (uitgesproken op 3 April 1952, Keesings Historisch Archief)

“Ik ben dankbaar, uitgenodigd te zijn, tot u te spreken, zoals ook eens mijn moeder deed, tot u, de gekozen vertegenwoordigers van het Amerikaanse volk en ik doe dit allereerst om uitdrukking te geven aan de dankbaarheid, die mijn man en ik en het gehele Nederlandse volk gevoelen voor het har­telijke en warme welkom, ons bereid door uw land, dat zichzelf het land der vrijen en der dapperen noemt – een welkom in dit, zijn heiligdom zelf.

Voordat gij ons te hulp gekomen zijt, kenden wij reeds een kameraadschap, bestaande uit een nauwe verwantschap door onze afstamming, terwijl ook onze na­tionale geschiedenis en groei als onaf­hankelijke en democratische natiën op vele punten overeenkwamen. Zelfs schij­nen wij eveneens enige van onze deugden en gebreken te delen. Maar niettegen­staande dat blijft toch steeds nog de be­hoefte bestaan wederzijds begrip te verdiepen. Het is immers dit, dat wij meer dan iets anders nodig hebben, waar het onderling contact der mensheid steeds nauwer wordt. Nooit tevoren zijn wij ons er zo duidelijk van bewust geweest, dat wij in onze wereld een samenwerking behoeven zo hecht als die tussen de cellen van één lichaam.

Eén menselijk geslacht, onder de leiding en de liefde van één God.
Onze menselijke wetgevingen zoeken van verre de goddelijke leiding te volgen. Veelal falen zij, maar zij streven door. Wij leven in de dageraad van een tijd, waarin wij zullen moeten trachten dit te doen als één mensheid. Het menselijk geslacht zou één geslacht moeten zijn. Een gespleten mensdom is als een gespleten persoonlijkheid. Het is geneigd van kwaad tot erger te gaan, tenzij het zijn eenheid van doelstelling te­rugvindt, komt tot een gecoördineerd denken, en gezondheid en geluk verwerft. Het gezonde deel van de geest der mens­heid moet zich steeds bewust zijn, dat het verantwoordelijk is voor het andere deel. De gezonde helft is degene, die be­stemd is de andere helft te redden.

Ik zie de taak, welke deze ook moge zijn, van hen, die het algemeen dienen – tot wie ik ook behoor als een van de mooiste, maar tevens als een van de moeilijkste en verant­woordelijkste. Gij, als vertegenwoordigers van het volk, draagt deze grote verant­woordelijkheid zowel jegens uw kiezers als jegens het algemeen welzijn van uw land, en bijgevolg, vooral nu tegenwoor­dig ons aller lot zo nauw verweven is, jegens de wereld in haar geheel.

Ik wil niet zo kortzichtig zijn u te vragen de belangen van Nederland in het bijzonder in gedachten te houden, of zelfs maar die van Europa; waar ik evenwel voor wil pleiten, zijn de belangen van de wereld als geheel. Met u besef ik duidelijk, hoe een schijnbaar onbeduidend belang een belangrijk beginsel kan vertegenwoordigen en hoe, aan de andere kant, een noodzakelijk offer in het lagere ressort meer welzijn voor het grotere ressort kan betekenen, een offer dat uiteindelijk zelfs hen, die het brachten, ten goede komt.

Er is een groeiende kracht in deze groeiende eenheid van een vrij en democratisch Europa, noodzakelijk ook voor de kracht van de wereld zelf. Slechts een dergelijke visie kan leiden tot die grotere eenheid, waarnaar de wereld hunkert. Slechts een grootse visie zal eens de uitweg vinden uit de algemene angst voor oorlog en vernietiging.

Velen van ons geloven, dat wij in een neerwaartse spiraal zitten. Hoe kan nu de neerwaartse beweging tot een opwaartse worden? Ik geloof, dat het de uitdaging is van onze tijd, voorgoed een opwaartse beweging te beginnen naar een hogere eenheid en welvaart dan wij ooit tevoren bereikten. Oordelend naar de resultaten van al ons streven echter, moet het juiste antwoord nog gevonden worden. Ik doel hier niet op idealisme. Ik doel op praktische oplossingen.

Hoogstwaarschijnlijk zullen deze oplossingen enige offers betekenen voor ons allen. Als wij allen slechts eens onze geest konden oefenen (en mag ik ook zeggen: onze harten konden opwekken) in dit idee van opoffering? Niet alleen onze financiële, economische en politieke belangen, erger nog, onze soevereiniteit en prestige zijn bij dit alles betrokken. We zullen er misschien in slagen plannen uit te werken voor een coördinatie, die althans een nauwere samenwerking tussen die landen mogelijk maken, die zich bewust zijn van het belang van integratie bovenal. Wij zijn ogenschijnlijk nog ver weg van dit Utopia en toch blijft het moeilijk te begrijpen, waarom wij niet grotere resultaten boeken met de schitterende werktuigen, waarmee de moderne wetenschap ons heeft uitgerust, en met de vele knappe koppen, die wij in ons midden hebben.

De organisatie der Verenigde Naties staat nog in de kinderschoenen en hoewel zij op sommige gebieden hoopgevende successen boekt, moet zij het hoofd bieden aan de grootste moeilijkheden. Maar toch, wie zou het nut van een wereldorganisatie, als zijnde de meest essentiële vorm om deze ontwikkeling te dienen, nog in twijfel willen trekken?

Maar er is niet te ontkomen aan het feit, dat de wereld in tweeën gespleten is, dat er twee magnetische polen zijn, waarvan de een positief is – degene die democratie heet – en de ander, die slavernij aanduidt, negatief. Naar mijn mening lijdt het geen twijfel dat het, indien wij slechts de energie, uitgestraald door de positieve pool van vrijheid en democratie, konden vergroten, onmogelijk zou zijn voor de negatieve pool om weerstand te bieden aan deze kracht en eindelijk zou zij deze weerstand moeten opgeven.

De kring van landen om de Atlantische Oceaan moet zien het voorbeeld te vermijden, gegeven door de landen achter het ijzeren gordijn, die hun gedachten zo hebben geconcentreerd op hun verdediging, dat zij vergeten zich evenzeer te richten op hun economisch, sociaal en cultureel welzijn, laat staan op de vooruitgang van de gehele samenleving der volken.

Indien deze geestesgesteldheid haar kans krijgt, zal zij voeren tot “goodwill” tussen natiën en mensen, en “goodwill” voert tot begrip en begrip tot vertrouwen. En vertrouwen is de enig bruikbare basis voor internationale samenwerking. Zonder vertrouwen beef t deze geen basis, treft zij geen doel en heeft zij geen succes; is zij louter verspilling van tijd en geld, van papier en inkt, en erger nog, van hoop. Indien echter de genoemde geestesgesteldheid haar kans krijgt, zal zij uitgroeien tot een Pax Atlantica: Atlantische vréde.

Ik denk niet, dat in een Pax Atlantica de Atlantische gemeenschap ooit een geïsoleerde groep zou kunnen worden. Nog veel minder zou zij ooit een bedreiging kunnen vormen voor andere delen van de wereld. Want zelfs als Atlantische gemeenschap kunnen wij ons niet veroorloven ons terug te trekken in een “splendid isolation” en onze schakels met de rest der wereldgemeenschap te verbreken. De stenen van het Atlantisch bouwwerk, dat wij samen bouwen, worden door onze wezensverwantschap samengevoegd, want anders zouden wij gemakkelijk uiteenvallen.
Het is waar, dat een zee verbindt, maar alleen dan, wanneer de mensen dat willen. De onbewoonde wijdte van het water scheidt van nature.
Met welk ander doel voegen wij ons aaneen dan om de vrijheid, de Atlantische vrijheden te redden? Vrijheid is niet slechts het ontbreken van tirannie, in welke vorm dan ook, het is het leven zelf. Het leven is de positieve pool, tegenover de negatieve, die slavernij en dood betekent.

Vrijheid aanvaarden wil zeggen verantwoordelijkheid dragen. Overal waar dit erkend wordt als recht en plicht voor iedereen, noemen wij het democratie. Het is de enig billijke regeringsvorm. In geen ander regiem wordt de menselijke waardigheid zo absoluut geëerbiedigd en wordt een gelijke kans geboden aan iedereen, ongeacht zijn overtuiging. Democratieën zullen er van nature toe geneigd zijn vredelievend te zijn, aangezien zij het volk vertegenwoordigen. Deze grondbeginselen werden op onvergelijkbaar schone wijze neergelegd in uw onafhankelijkheidsverklaring. Al deze dingen tezamen zijn datgene, wat wij, als democratische volken, gemeen hebben, het is onze eenheid. Wij allen willen, dat de Atlantische vrede de weg bereidt voor de wereldvrede. Wij kunnen niet hopen op betere tijden, tenzij het mensdom als geheel zijn boeien afwerpt – boeien van allerlei soort – niet slechts die van tirannie en totalitarisme, maar ook die van eigenbelang, vooroordeel, tekort aan begrip en gebrek aan vertrouwen. Het is duidelijk, dat de mensheid, wanneer deze boeien vernietigd zijn, het welbehagen van een leven in gerechtigheid en veiligheid zou kunnen uitstralen en een begin zou kunnen maken voor een betere wereld en voor een volledig gemeenschapsleven. De mensheid in nood moet voor een groot deel op uw juist oordeel vertrouwen om uitkomst te krijgen. Laten wij allen ons uiterste best doen. Laat ons de rest aan God overlaten. Hij zal deze arme wereld niet verzaken, om der wille van de goedwillenden en dapper strijdenden, die er in wonen.”

 

(Dit was de laatste alinea van de rede van Koningin Juliana tot het Congres der Verenigde Staten, 3 april 1952)

 

Over de auteur

Ronald Jan

Ronald Jan Heijn is van jongs af aan bezig geweest met een ruimere manier van denken. Zijn leven ging door de moerasgebieden van de grote thema’s van deze maatschappij. Zijn hindernissen, dalen en tegenstrevers waren daarbij zijn beste leermeesters. Door zijn ervaringen in de samenleving aan de ene kant en als ‘student van de ruimere werkelijkheid’ aan de andere kant probeerde hij altijd bruggen te slaan. Ook de door hem gevolgde studies (jaren tachtig) van bedrijfskunde en later culturele antropologie hadden die onderliggende wens. Tevens deed hij vele spirituele cursussen en werkte hij bij een organisatie-adviesbureau gespecialiseerd in cultuurveranderingen. Ronald Jan komt uit de nationaal bekende kruideniersfamilie van Albert Heijn en hij was ooit tophockeyer in het Nederlands Elftal. In 1987 werd zijn vader ontvoerd en vermoord, de dader door hem vergeven. Om bij te dragen aan een betere wereld startte hij begin jaren negentig het holistische centrum Oibibio in Amsterdam. Na 8 jaar – Oibibio ging aan zijn eigen succes ten onder - en vele tegenslagen verder kwam hij in 2001 Harry Beckers tegen. Samen begonnen ze met lezingen - en maakten later twee documentaires - over een ruimere manier van denken. Zonder het te weten, werd Ronald Jan in die periode opgeleid tot een boodschapper van de Nieuwe Tijd. Bovenal mocht hij getuige zijn van het zware voorbereidingspad van de Wereldvernieuwer HB en uiteindelijk meewerken aan zijn naar voren treden.

Reageren