Breinobsessie leidt tot onzinstudies

De gijzeling van de psychologie

NRCNext 22 augustus 2011 , door Prof. dr. Jan Derksen: klinisch psycholoog aan de Radboud Universiteit, de Vrije Universiteit van Brussel en heeft een eigen praktijk.

Volgens de hedendaagse psychologie verklaart alleen ons brein ons gevoelsleven en ons handelen. Het vak is een wezenloze feitjesmachine geworden. Breinobsessie leidt tot onzinstudies over ditjes en datjes

Psychologie studeren is razend populair in Nederland. Universiteiten hebben noodgedwongen een numerus fixus ingesteld. Je kunt geen krant, weekblad of magazine openslaan of er worden psychologische kwesties besproken. Deze nationale belangstelling is gerust opmerkelijk te noemen als je kijkt naar de toestand waarin de psychologische wetenschap verkeert. Het vak wordt namelijk gegijzeld door hersenwetenschappers.

Eerder was menselijk gedrag in de psychologie nog het gevolg van twee krachten: persoonlijkheid – daarbinnen speelde biologie een rolletje – en sociale omgeving. De tientallen ‘breinboeken’ van nu laten er echter geen twijfel meer over bestaan: gedrag is uitsluitend het product van de hersenen. Tekenend is dat steevast het woord brein wordt gebruikt, in plaats van hersenen. Dit duidt op de Angelsaksische herkomst van neurologisch onderzoek en legt de link met ‘slim’.

Onze identiteit is in de kern geen psychologische en sociologische kwestie meer, maar een biologische. We zijn ons brein, zegt Dick Swaab. Dit brein is vrouwelijk of mannelijk (Brizendine), de dader van een misdaad (Lamme), bron van passie (Sitskoorn), van de gekke gedachte (Aleman), van de liefde (Szalavitz & Perry), de reden dat pubers puberen (Crone) en het is onderhevig aan het het ‘zelfmoordgen’ (Van IJzendoorn). Alcoholverslaving is geen gecombineerd bio-psycho-sociaal probleem, maar een hersenziekte. Een depressie is een chemische onbalans.

Psychologie is een bijproduct van de biologie geworden. De gijzeling van de academische psychologiebeoefening kwam op gang met het behaviorisme. Dat beheerste de Amerikaanse psychologie tussen de jaren twintig en vijftig van de vorige eeuw. Het accent op waarneembaar gedrag en de afkeer van mentale concepten zoals ‘psyche’ leidde tot een uiterst schrale kennisproductie en uiteindelijk tot een implosie van dit behaviorisme.

Intussen wilden psychologen echte wetenschappers zijn. Ze omarmden de natuurwetenschappelijke manier van onderzoek doen – experimenten, data produceren, geen abstracte theorieën, geen mystery and miracle. In de universitaire opleidingen consolideerde zich zo een sterke nadruk op onderzoeksmethoden en statistiek, ten koste van theorieontwikkeling. De ontwikkeling van de wetenschappelijke psychologie nam afstand van de filosofie – waaruit ze is ontstaan – en van diepere psychologische vragen naar de aard van ons bestaan.

Een goed voorbeeld is de manier waarop intelligentie wordt onderzocht. Slim gedrag kun je observeren. Het begrip intelligentie is daarentegen abstract en ligt op een niet direct waarneembaar niveau. Je moet dus een theorie opstellen. Deze is na meer dan honderd jaar onderzoek nog niet tot stand gekomen. Er bestaat niet eens een breed geaccepteerde definitie van wat intelligentie eigenlijk is, hoewel in het onderwijs en in de gezondheidszorg, op televisie en op internet voortdurend wordt getest op IQ. Empirisch onderbouwde datavergaring gaat voor alles. Voor serieuze psychologen is dit een schaamtevolle praktijk.

De gezichtsbepalende sociale psychologie verwordt tot een feitjesmachine van losse ditjes en datjes. Zij produceert fragmentarische gegevens. Daarover kunnen we dagelijks lezen in de media. Deze feitjesmachine bestaat uit vooral – door de computer mogelijk gemaakt – experimenteel sociaal- psychologisch onderzoek naar vooral vrouwelijke psychologiestudenten van begin twintig. Zij moeten verplicht meedoen om hun studiepunten te halen. Niemand lijkt zich nog zorgen te maken over de generaliseerbaarheid van deze ‘kennis’.

Als je deze gegevens kritisch beschouwt, blijven ze meestal achter bij wat we graag common sense noemen. De vakken die traditioneel op meer omvattende theorieën als persoonlijkheidsleer waren gericht, zijn praktisch verdwenen uit de curricula van de Nederlandse psychologieopleidingen. Ook de daadwerkelijke diagnose en behandeling van psychische stoornissen zijn overgenomen door breinadepten. Kijk maar naar de opkomst en het succes van de zogenaamde Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Deze is bedoeld om de betrouwbaarheid van psychiatrische diagnostiek te verbeteren.

DSM is evenwel een classificatiesysteem uit de geneeskunde, is theorieloos van opzet en zoekt naar biologische verankeringen van stoornissen, niet naar psychologische bepalingen. Het gevolg is dat de grenzen van veel stoornissen, zoals autisme en stemmings- en gedragsstoornissen, worden opgerekt. Opstandige pubers, dikke mensen en mannen met een erectiestoornis kunnen rekenen op een eigen etiket. Hierbij lijkt vooralsnog vooral de farmaceutische industrie gebaat. In 1952 telde DSM ruim 100 stoornissen. Sinds 2000 zijn het er bijna 400. Zodra de DSM-5 op de markt komt, ontloopt niemand nog een etiket. Hiermee wordt geen gezondheid, maar stoornis gepromoot. De traditionele diagnostiek raakt ondergesneeuwd door de DSM-maffia.

Behandeling en diagnose zijn dus verschoven naar de observeerbare buitenkant. Ze missen de diepgang die wordt geaccentueerd in de common sense, in de literatuur, in de filosofie en in de overvloedige alternatieve therapierichtingen. In de behandeling schort het op deze manier aan theorie om vast te stellen waardoor gedragsverandering ontstaat. Van elke behandeling wordt het effect opnieuw vastgesteld. Het accent in de cognitieve gedragstherapie ligt vooral op verandering van denkpatronen, met een gebrek aan aandacht voor emoties.

Wanneer ik tijdens lezingen bespreek hoe psychische conflicten tot uitdrukking kunnen komen in lichamelijke symptomen en verschijnselen (volgens het gezonde verstand liggen zorgen zwaar op de maag en leidt stress soms tot een hartinfarct), word ik argwanend bejegend. Klinische psychologiestudenten willen niet horen dat hun rsi-klachten psychologische oorzaken kunnen hebben.

Ze lijken te verlangen naar een protocol waarbij niet hoeft te worden nagedacht, alleen nog gehandeld. Jonge psychologen zijn, in plaats van clinici, technici geworden. Daar is binnenkort een bescheiden (hbo-)opleiding voldoende voor. Hoe beperkter de opleiding, hoe getrouwer het protocol wordt gevolgd. Elk dynamisch, ambivalent, onbewust en conflicterend psychisch patroon wordt onderbelicht door deze onderzoekswijze.

Twee inspanningen zijn noodzakelijk. Onderzoekers moeten psychologische processen beschouwen als gelijkwaardig aan biologische en sociologische processen. Ze zullen kennis over deze psychische toestanden – zowel bewuste als onbewuste – moeten verwoorden in fatsoenlijke, niet te simpele theorieën.

Ze zullen mentale concepten in ere moeten herstellen. Kwalitatief onderzoek moet daarbij weer aanzien krijgen. In de klinische psychologie zullen clinici de bevrijding tot stand moeten brengen. Zij werken dagelijks met patiënten. Wel vereist het moed en lef om in te zwemmen tegen de stroom van hersenonderzoekers, experimentalisten, empiristen en de DSM-maffia.

De ‘feitjes’

‘Gelukkige mensen praten meer.’ Mensen die hoger scoren op geluk blijken tweemaal zo veel te praten over onderwerpen als relaties en levenskeuzen dan mensen die zich minder gelukkig voelen. Misschien leidt een goed gesprek tot geluk. Het kan ook dat mensen die al gelukkiger zijn meer sociale vaardigheden hebben.

‘Foto’s voorspellen de levensduur.’ Jeugdfoto’s van bejaarde topsporters werden verdeeld in foto’s waarop wel en niet werd geglimlacht. Glimlachers bleken een hogere levensverwachting te hebben.

‘Dronkenschap maakt loze beloften.’ Men liet studenten wodka met tonic of alleen tonic drinken en vroeg ze naar hun levensdoelen. Alcohol maakte dat aantrekkelijke doelen allesoverheersend werden – zoals een groot schrijver worden. De groep die alleen tonic dronk, bleef oog houden voor de realiteit en dus voor de haalbaarheid van zo’n levensdoel.

 

 

1 reactie

  • Er is een politieke variant van de breinobsessie, de maakbare mens die hiermee in opgang is. Waar het hier om draait is dat de vrije wil wordt ontkend en daarmee de ingeboren eigen identiteit waar deze op rust. Zie het belangrijkste gevaar van het verdwijnen van geloof waarvan vooral de waanzin wordt samengevat in nog grotere absurditeit. De positieve kanten, zoals het geloof in een ziel, zijn weg, de negatieve kanten zijn geïndustrialiseerd. We zien hier het langzaam verdwijnen van de identiteit die samenvalt met de animale drift zich te moeten profileren, dus om te scoren en zo de eigen identiteit op de voorgrond te krijgen. Publieke erkenning verhoudt zich tot de eigen inspanning zoals persoonlijkheid en ziel. Oorzaak en gevolg zijn omgedraaid. Zie het standaardiseren van het begrip vrijheid volgens de principes van de toegepaste wetenschap. Techniek en industrie. De toepassing krijgt de hoofdrol, en de kern wordt bijzaak. Een product. De marktwerking speelt hierin de hoofdrol. Ieder historisch geweten is zo weg. Groot en klein, hoog en laag enz. zijn ook weg in totale democratisering. Mogelijk is dit alles verergerd door de macht van de VS over de bronnen van cultuur via internet, waar nu immers de auteursrechten een heel andere inhoud krijgen. Zelfs de Bijbel die algemeen toegankelijk was en de basis van tal van gezegden wordt op internet onderworpen aan privatisering, en opnieuw uitgelegd. Alles wat daarvoor bestond is zo een voortspruitsel van de VS.

    Waar haalt Abraham de mosterd vandaan?

    De christelijke Drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest is equivalent aan Brahma, Vishnu, Shiva (Schepper, Instandhouder, Vernietiger) in het hindoeïsme in omgekeerde volgorde, de drie hoofdstralen uit Alice Bailey, 1. macht of wil, 2. liefde of wijsheid. 3. intelligentie. Brahma werd A-Brahma. Zie hier de befaamde intelligentie van de Joden toen ze uit India vertrokken.

Reageren